MF-, en HF-ZENDER en ONTVANGER

Het bereik van een MF/HF-zendontvanger is afhankelijk van het vermogen. Met een MF kun je overdag 150 tot 200 mijl komen en ’s nachts verder. Maar ’s nachts is het drukker in de ether, omdat meer zenders van deze mogelijkheid gebruik maken, dus meer kans op storing. Met de HF kunnen we 1000 tot 2000 mijl halen. Met een MF/HF-zender kan naast spraak, ook DSC en radiotelex worden gebruikt. Denk er aan: TX staat voor transmitter en RX voor receiver.

Meestal staat de installatie op het 24 volts boordnet aangesloten. Alleen op de accu’s moet de zender het toch een paar uren vol kunnen houden. De accu’s worden door de generator bijgeladen. Wisselspanning wordt met AC en gelijkspanning met DC aangegeven. Als de zender op 220V staat, kan met tot maximaal 400W-vermogen zenden en via de accu’s komt men tot 60W. Het is mogelijk om het toestel op ‘low power’, ‘medium power’ of ‘high power’ in te stellen. Bij de MF is 400W het maximum. Uiteraard zit er ook een on/off knop op. In de stand-by stand wordt er wel stroom gebruikt.

Antenne tuning unit.

Omdat er met verschillende frequenties wordt gewerkt, moet de antenne verschillende lengtes hebben. Dit wordt geregeld door de antenna coupler of de antenne tuning unit. De antenne moet zo dicht mogelijk bij de zender/ontvanger worden geplaatst. De coaxkabel is de verbinding tussen antenne en zender. De lengte van een MF/HF-zender is zes tot acht meter. Als men alleen een MF heeft is de lengte van de antenne ongeveer 20 meter. Er wordt dan op een zeilboot vaak gewerkt met een stag. Denk bijvoorbeeld aan de draden tussen de masten die als antenne kunnen fungeren.

De tuner doet de instelling van de antenne, sommige toestellen kunnen het ook, maar handmatig is ook een mogelijkheid. Het moet altijd mogelijk zijn om op de noodfrequenties 2182 KHz en 2187,5 KHz te werken.

Het kan zijn dat een zender/ontvanger twee antennes heeft. Een voor zenden en de ander voor ontvangen. Als je tegelijk kunt zenden en ontvangen heet dat duplex. Als het spreken en luisteren beurtelings gaat wordt het woord ‘Over’ gebruikt. Bij de radiotelex gebruik je een + hiervoor.

De juiste frequenties kun je in het boeken List of Coast Stations of de ARLS Volume 1 vinden. Hier gaat het dan om verkeer met de Kustwacht. Voor frequenties voor schepen onderling zoek je het Manual die weer Intershipfrequenties heten. MF-zenders werken in het frequentiegebied van 1,6 tot 4 MHz. HF van 4 tot 30 MHz. Dus bij die 4 MHz ligt de knip tussen MF en HF. Er zijn ook toestellen die de frequenties in kanalen aanduiden. Frequenties worden meestal in KHz aangegeven. Onder de knop stations vinden we de Kustwachtstations waar we een keuze uit kunnen maken. Als je een ‘distressbericht’ verzendt, krijg je net zoals bij de VHF een ‘acknowledgement’.

Gain/volume/PTT

Net zoals bij de radar vinden we hier de GAIN. Het is de afstemming van de gevoeligheid (sensitiviteit) Ook wel als RF-gain genoemd. Met de volumeknop regel je de geluidssterkte van de luidspreker; met de PTT-schakelaar schakel je van luisteren naar spreken.

Bandbreedte. Om storing te voorkomen ligt er wat ruimte tussen de frequenties. Bij radiotelefonie zit er 3 KHz tussen en bij radiotelex en DSC liggen de frequenties 500 Hz uit elkaar. Met toestellen die tot 1 februari 1999 in de handel kwamen kon er nog een alarmsignaal worden verstuurd op de 2182 KHz in de mode H3E. Tegenwoordig doen we dat met DSC. Deze frequentie is wel gebleven voor het afwikkelen voor nood- spoed- en veiligheidsverkeer. Te vergelijken met kanaal 16 van de marifoon.

Het aanroepen van een station. De zender dient zich eerst te overtuigen dat een ander station niet wordt gestoord. Daarna kan het station worden aangeroepen met bijvoorbeeld:  “Nederlandse Kustwacht, Nederlandse Kustwacht, Nederlandse Kustwacht. Hier de Papa Delta Mike Tango, channel 23, linkcall over”.

Nadat de verbinding tot stand is gekomen hoeft het Call-sign maar één keer te worden genoemd. Het kan zijn dat er een wachtlijst is en het zou kunnen zijn dat je hoort: “Please stand-by, turn number three”. Dat betekent wachten tot de schipper op dit kanaal wordt opgeroepen, want er zijn nog twee wachtende voor hem. Het kan ook zijn dat het kuststation ook een gesprek voor jou heeft en op vastgestelde tijden, (zie boek List of Coast Stations) zendt het kuststation een verkeerslijst(trafficlist) uit. Vervolgens wordt het walstation opgeroepen. Bij MF en HF moet men 2 minuten wachten om nog een keer te roepen als het walstation niet reageert. Bij wal-schip-verkeer heeft de wal de leiding van de gesprekken; bij schip-schip-verkeer heeft het opgeroepen station de leiding. Als men bij VTS-contact heeft met de verkeersleider is het gebruik dat men de te varen route opgeeft. Eigenlijk komt dit nog bekend voor want we hebben het ook bij marifoon gehad. De begrippen ‘urgent call’ en ‘personal call’ zijn uiteraard bekend.

Op het examen krijgt u de nodige afbeeldingen van display’s die moeten worden verklaard. Hier onder een MF/HF-zendontvanger. Bij de onderste foto is te zien dat er een ‘acknowledgement’ is ontvangen op de 2187,5 KHz. U moet de hoorn/mike opnemen en zich melden. Ziet u ook waarmee u dan contact heeft? Nederlandse schepen mogen op de frequentie 2392,0 KHz een radiotelefoongesprek met elkaar voeren. Uiteraard wordt de MF/HF ook voor DSC-noodverkeer gebruikt. Op de frequentie 2182.0 moet u uitluisteren als u een DSC ‘distress alert’ heeft ontvangen. Dit is dan MF. Het HF-telefoniekanaal 1615 bestaat uit de frequenties 16404 en 17284 KHz. Een kuststation luistert op 16402 KHz uit.